desire: a terrific motor vehicle, a fantastic Raspberry Ketone supplement The raspberry ketone diet
Mijn broer Tiemo is dood PDF Print E-mail
Het is diep in de nacht, vroeg in de ochtend. De telefoon gaat aarzelend over  en zakt ook weer weg.  Slaapdronken de terugbeltoets indrukken en op hetzelfde moment weet je het angstig zeker. Hier is de onheilstijding in aantocht. Je zieke broer, longkanker, is dood.

Dat kan de enige reden voor dit telefoontje zijn. Het blijkt waar. Ondanks je roepen in de hoorn “zeg dat het niet waar is “, is het toch waar. De gevreesde roofoverval; de verraderlijke vijand heeft toegeslagen.

Verstikt is het huilen, het gevoel van machteloos zijn, je lege handen, je boos zijn. Het gevoel van sneu voor hem; hij leefde zo graag en had het de laatste tijd zo goed voor elkaar. Opeens heb je niets meer te bieden.

 

Tiemo (60) sliep slecht de laatste tijd. Zijn aangetaste longen drukten zwaar. Hij stond dan ’s nachts op, scharrelde beneden in de kamer wat rond. Janneke kwam dan na een poosje bij hem met een plaid.. Dat wilde ze nu ook doen, maar hij hees zich al moeizaam de trap op, terug naar de slaapkamer. Hij loopt daar binnen, struikelt half , zegt “shit” en valt neer. Dood.

 

Een mooie dood, zeker voor iemand die waarschijnlijk kansloos zou zijn bij een chemokuur, want geen draad conditie en al te ver heen. “Ik wil een fraai eind aan mijn leven”, zei hij eerder. Voor de dood zelf was hij niet bang: “die hoort erbij” , vond hij.

Daarom kon hij ook al in een eerder stadium met een hartsvriendin op stap gaan om het crematorium uit te zoeken, de muziek te bepalen, besluiten welke mensen hij nog graag wilde zien, hoe hij nog tot zijn einde een beetje zou kunnen genieten.

Op dat laatste wisten we wel raad. Pinot Gris, gerookte zalm, hollandse garnaaltjes. Ganzenleverpastei aan de vleeskant. Aan roken hoefden we hem niet te herinneren, dat bleef hij zelf wel doen. En een keertje met ons als naasten bijeen in een mooi café ; dat was ook een goede ervaring.

De nacht die volgde op die ontmoeting was zijn laatste.

 * Vriendelijke berusting

Een paar uur na de onheilstijding zijn we bij hem thuis.  Daar heerst één en al verdrietige bedrijvigheid. De gebruikelijke organisatie, die zo vreselijk is en tegelijkertijd voor afleiding zorgt. Ter plekke hoef ik hem niet te zien. Ik kan Tiemo als verschijning goed en positief voor m’n geest halen. Ondanks schrikbeelden die ik ook van hem heb. Zo slecht, zo ziek kon hij er uit zien.  Het goede beeld is dat van de vriendelijke berusting.

“Ik ben ziek”  had hij me eerder gebeld, en “ja”gezegd op mijn vraag of het kanker was en “nee” toen ik hem vroeg of hij zich ging laten behandelen. Die ontttakeling wilde hij niet meemaken, letterlijk niet aan den lijve ondervinden..

 

Een twintigtal onderzoeken had hij doorstaan, voordat hij de einduitslag kreeg. “Zullen we naar buiten lopen, ik wil even een sigaretje opsteken”, zei hij tegen Janneke en mij toen hij, met het vonnis op zak, uit de spreekkamer van de longarts kwam. Op een bankje in de tuin van het ziekenhuis vertelde hij het voorstel van de arts: toch een begin maken met een kuur, meteen stoppen als duidelijk is dat het niet aanslaat. Of als er bijverschijnselen optreden die je niet aan kunt. Zo wordt de patiënt op medisch verantwoorde wijze toch een behandeling ingeleid.  Natuurlijk, de dokter doet z’n goede werk. Daar heeft hij voor gestudeerd, daar heeft hij de eed voor afgelegd. In zijn hart wilde Tiemo niet, maar de ratio kon geen nee zeggen tegen een voorstel.

De dood was er sneller. Zijn intuïtie had hem al verteld dat zijn leven voorbij was.

 * Dierbaar

Hij was een begaafd anecdotisch schrijver. En een actief liefhebber van muziek, vooral jazz. Handig met zijn handjes ook nog. En roker en drinker, dat wel. Boven alles had hij gevoel voor humor en gevoel voor betrekkelijkheid.

Tiemo zag er niet tegenop om zichzelf ruim te bedelen in de mand vol Sinterklaassurprises. Een flesje bier in cadeauverpakking, een opgewekt kritisch gedicht erbij over zichzelf, klaar was Kees. En dat dan minstens vijf keer op rij. Dat verhoogde het effect aanzienlijk.

Gnuivend kon hij je laten delen in een anecdote dat bij een toneelstukje op het decor een koeiestaart bij een raam werd geschilderd. In het boekje stond immers “staart uit het raam”. Of hij haalde een wonderlijke dorpsbewoonster aan: die wist het zeker; als haar man de klompen erbij aanhield werd het een kind met rood haar.

 

Muziek was iets voor hemzelf en van hemzelf. De gitaar bespeelde hij met graagte, luisteren naar Gillespie of Lateef ging hem nog beter af en voor het organiseren van een jazzconcert draaide hij bij wijze van spreken zijn hand niet meer om. Ach, hoe dierbaar is het beeld van zijn eerste platenspeler, een Lenco nog wel. En hoe roerend het plezier dat hij beleefde aan een zelf in elkaar geprutste oorschelp om in bed naar muziek te kunnen luisteren.

Schrijven kon hij. Zijn colums in het Bibliotheekblad waren net zo geliefd als ze gevat waren. Hij kon er zijn kijk in kwijt, zijn herinneringen, zijn ideeën. Het verhaal hoe hij als door de bliksem getroffen de eerste keer Bob Dylan hoorde. Zijn eten bleef staan, hij kroop in de radio. Een ontdekking was gedaan. Zijn beschrijving van het moment is zo zuiver als de storingvrije distributieradio, waar het uitkwam. Tegelijk was het ook weer een aanleiding om in een ander verhaal over te stappen naar een radio met een groen oog. Hoe groener hoe zuiverder de ontvangst.

Maar ook medezeggenschapsprietpraat, klantvriendelijke wartaal, de gevoelsbeleving van een  boekenkast, vakantieperikelen of promotieproblemen passeerden de revue.

 * Toewijding

“Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg”, was ongeveer opvoedregel nummer één die er bij ons thuis met de paplepel werd ingegoten. Zijn houding was ermee doordrenkt, maar verveelde niettemin geen moment. Zo draaide hij de VPRO-omroepraad, waar hij jaren geleden lid van was, de rug toe toen het progressieve denken daar in een staat van euforie over het eigen gelijk raakte. Op kleinere schaal zou hij een Groningse uitdrukking tevoorschijn halen als iemand al te stellig iets poneerde: “kwait’nait”…..

 

Een binnenvetter was hij en bleef hij. Als kind al, de jongen die genoot met stil plezier. Later als jonge man, ingehouden maar verwoed pokerend tot in de kleine uurtjes. En nog weer later toen hij de onderwijzersopleiding links liet liggen om rustig en overtuigd het bibliotheekvak in te gaan.  En ook toen de introverte, stille man zijn eerste vrouw Roos met liefde en toewijding verzorgde tot ze aan haar ziekte bezweek. Verdrietig en in zichzelf gekeerd  bleef hij achter met een moeilijk hanteerbaar kind.

Maar ook dat kwam goed en Janneke dook op in zijn leven.

 

De binnenvetter paalt zijn terrein zelf af. Probeer die omheining maar niet binnen te komen. Vriendelijk maar beslist wijst hij je de deur.

Tiemo genoot van de vervroegde uittreding; die bracht hem rust in zijn kop, ontspande hem, en voor alles: maakte de weg vrij om zijn gedachten en gevoelens onbelemmerd te kneden. Die Gedanken sind frei.

Voordat hij die gedachten in ideeën uitte, was er dan wel een heel rijpingsproces gepasseerd. Een proces waarin hij niet graag gestoord werd. Wel laste hij zo nu en dan een kleine pauze in. Voor een glaasje of sigaretje. Daarna ging het verder, met de poes op schoot, zacht hummend, of tikkerdetik op het laptopje.

 

Zijn vrienden en vriendinnen waren groot in aantal,, diep in raakvlak, delend in het genieten, gissend en vragend naar wat er in hem omging, tevreden geen werkelijk antwoord te krijgen.

 

Zo hebben binnenvetters het graag.

 

Copyright 2006 H. Beereboom